05.05.2020

Te midden van de stortvloed aan virus-gerelateerde berichten vielen me drie berichten in het bijzonder op. Berichten over een nieuw Milaan, Berlijn en mogelijk ook een nieuw Nederland.

Om te beginnen een bericht over het Designmekka Milaan dat eveneens te boek staat als een van de meest ongezonde steden van Europa. In het pre-Corona tijdperk kende de stad een zware pendel die de kwaliteit van leven niet bepaald bevorderde. Maar net als veel andere steden ervaart Milaan nu hoe alternatieve vormen van samenleven en mobiliteit, als gevolg van virus gerelateerde maatregelen, in de stedelijke ruimte zichtbaar worden. Fietsers en voetgangers gaan zo een steeds frequentere rol als weg- en ruimtegebruiker spelen. Dit nieuwe gebruik van ruimte biedt een prachtig perspectief na de donkerte waarin Milaan de afgelopen tijd wegzakte. En biedt zicht op een andere toekomst. Dat perspectief wint aan kracht met de wetenschap dat eerdere pogingen om bewoners uit de auto te krijgen faalden. Met het plan ‘Strade Aperte’ wil men de nu afgedwongen verandering consolideren en ruimtelijk vastleggen. Kilometers aan straten zullen transformeren tot fiets- en wandelruimte. Milaan lijkt er zo in te slagen om een ruimtelijke status quo te doorbreken en bestaande stedelijke condities weer vloeibaar te maken.

1
2

In Berlijn gebeurde iets soortgelijks. Hier is echter niet de acute crisis de aanstichter tot verandering, maar het anticiperen op de periode erna. Hoewel door de huidige beperkingen maar weinig Berlijners de nu aanwezige groene ruimte benutten, is wel duidelijk geworden wat de waarde ervan is. Het stadsbestuur verplicht zichzelf daarom tot het aanleggen van nieuw groen én het anders benutten van bestaande groene ruimte. Naast een versterkte groen-infrastructuur valt op dat men bestaande ‘groenige’ ruimtes – zoals oude begraafplaatsen, sportparken en volkstuincomplexen – wil openstellen. Vergelijkbaar met Milaan kiest ook Berlijn voor aanpassing van bestaande ruimte en transformatie. Het zou als verzachting van ruimtes, van grenzen en van eerder toegekende functies samenvat kunnen worden. Even los van de tragische aanleiding, vinden hier dus betekenisvolle ruimtelijke ontwikkelingen plaats die, zeker in eerste instantie, neerkomen op herschikken en herordenen. Op een bepaalde vorm van zachtheid dus.

Het derde opvallende bericht betreft de aankondiging van de Nederlandse regering dat de centrale overheid een grotere rol bij de inrichting van ons land gaat nastreven. Na jaren van decentralisatie en delegeren van ruimtelijke verantwoordelijkheden naar lagere overheden is dit een opmerkelijke correctie. Het duidt erop dat de regering beseft dat de relatief schaarse ruimte in ons land in relatie tot de omvang en impact van bepaalde ruimtelijke transformaties een sterker sturend beleid behoeft. Het is even afwachten hoe dit voornemen daadwerkelijk gestalte krijgt. Maar het is te hopen dat Den Haag niet uitsluitend terugvalt op een harde en strikte ruimtelijke ordening en ontwerp in de ‘oude stijl’, maar ook oog heeft voor de aangehaalde tactieken uit Milaan en Berlijn.

Ontwerp wordt in alle drie aangehaalde berichten weliswaar niet nadrukkelijk genoemd. Maar de rol ervan is onvermijdelijk. Noch de transformatie van Milaans straatprofielen, noch de ruimere vergroening van Berlijn, noch een nationaal ruimtelijk beleid kan zonder de verbeeldingskracht van ontwerpers. Ontwerp zit echter nog even niet op de eerste rij. Ondanks alle goede ideeën en intenties van de beroepsgroep past haar enig ingetogenheid. Maar om bijdragen zal ongetwijfeld en in tweede instantie gevraagd worden wanneer de concretisering van de uit crises geboren consequenties tastbaar moeten worden gemaakt. Ontwerp volgt, in dit geval inderdaad, de crisis.

JaapJan Berg, DDA-jurylid en commissievoorzitter in de categorie ‘Habitat’