05.06.2020

Hoe schrijf je over design in tijden van een lockdown als gevolg van een planetaire pandemie? Welke vorm volgt disfunctie?

Zou deze column over het culturele verlies als gevolg van de sluiting van de glasfabriek in Leerdam moeten adresseren, over de museums die hun deuren nooit meer zullen openen, of over hoe grimmig de toekomst van ons cultuurlandschap eruitziet? Moet ik mijn verbazing delen over de ‘knal’ waarmee Instagram TV (IGTV) zich manifesteert als hét platform voor culturele uitwisseling, dialoog en het delen van verhalen? Of alle vragen aanhalen over de materiële, programmatische of lange termijn gevolgen van “ontwerpen voor de 1,5m-samenleving”? En hoe zit het met het uitvergrotende effect dat COVID-19 heeft bij het aan het licht brengen van het onrecht en de ongelijkheid in ons financiële systeem, wie kapitaliseert op het virus voor politiek eigengewin of hoe deze crisis zich verhoudt tot een andere grote crisis, die van ons klimaat? Te midden van deze global glitch, een tijdelijke verstoring op wereldniveau, heb ik ervoor gekozen om deze column klein te houden en dicht bij mijn dagelijkse werkelijkheid te blijven. Hierbij dus wat reflecties:

Aan het begin van dit studiejaar, in september 2019, werd ik hoofd van het Critical Inquiry Lab, een masterafdeling van de Design Academy. Onderwijs heeft me de kans geboden om dieper na te denken over de verantwoordelijkheden die wij hebben ten opzichte van de toekomstige generatie. Design volgt niet langer alleen vorm, het kan alles volgen, dus wat wil je volgen en waar wil je het verschil maken? Tot weerzin van de machthebbers van deze wereld verkeren we in een enorme transitie – er moet verandering komen en die komt er ook. We kunnen het wereldwijde kapitalisme er wel de schuld van geven dat het ons gedesoriënteerd heeft, maar het gaat om zoveel meer: godsdienst, cultuur, sekse, geschiedenis, taal, enzovoort.

Al deze concepten moeten kritisch worden herzien en nieuw leven worden ingeblazen. Design als onderzoek en de beheeraspecten van het openbaar maken blijven de basis van deze master. Maar de nadruk ligt op de studenten, die hun eigen autonome, nauwkeurige, goed onderzochte positie ontwikkelen door middel van experimenteren, hard werken en reflexiviteit. Het is van belang dat we de vooroordelen, semantiek en materiële realiteit van hoe de wereld momenteel is georganiseerd niet zonder meer voortzetten, maar deze zo deconstrueren dat dit zichtbaar wordt*. Maar hoe kunnen we al deze ambities tot uiting laten komen in de seismische verschuiving waar we op dit moment mee te maken hebben, die van collectief klassikaal onderwijs naar online gesprekken in de beslotenheid van ons huis? Hoe kan een technologieplatform een zinvolle pedagogische ervaring bieden? Welke beperkende aspecten zijn het gevolg van de scheiding van lichaam en plaats, verbonden door middel van een scherm? Welke verantwoordelijkheden heeft een docent buiten het onderwijs, nu veel van onze internationale studenten gescheiden zijn van hun vrienden en familie? En het hele curriculum noodgedwongen is aangepast aan een online omgeving. Welke gevolgen dit op de lange termijn heeft, is nog niet duidelijk, maar vooralsnog heeft het ertoe geleid dat we meer tijd samen doorbrengen en meer met elkaar praten. Ik ben onder de indruk van de studenten, hun kracht, flexibiliteit en het vermogen hun gedachten en ideeën te verdiepen diepgaande onder deze precaire omstandigheden.

Zoals geldt voor veel anderen op cultureel gebied verandert mijn praktijk, omdat veel culturele evenementen waar ik bij betrokken ben, uitgesteld of geannuleerd zijn. Hierdoor zijn wij, als mens maar zeker ook als cultuurbeoefenaar, gaan doen waar we het beste in zijn. We passen ons aan, verschuiven, vinden opnieuw uit en maken het ‘nieuwe normaal’ productief. Na mijn eerste ervaring als online gespreksleider, in een gesprek met jonge modeontwerpers, drong het tot me door. Deze crisis lijkt ons dichterbij onszelf gebracht en gelijktijdig een transpersoonlijk handelingsperspectief te hebben gegeven aan ontwerpen. Design is altijd een model en daarom afstandelijk.

1

De huidige omstandigheden hebben ons bevrijd van de gedwongen zoektocht naar het nut en de betekenis van het vak. De avant-garde, de early adaptors, zijn voortdurend op zoek naar de eigen grenzen en naar wat wij zien als de uiterste grenzen van het beroep. Dankzij deze houding wordt design uitgebreid naar en dringt het door in andere transdisciplinaire domeinen. Tegelijkertijd wordt zo de rol ervan in de maatschappij en de toegevoegde waarde enthousiast gelegitimeerd – wat ooit geforceerd leek, is nu vanzelfsprekend geworden.

 

Professionele vaardigheden ontwikkelen zich met een zekere elasticiteit richting persoonlijkheidsvorming en betrokkenheid. De jonge ontwerpers met wie ik gesproken heb, leken minder geïnteresseerd in mode, waarbij het steeds meer gaat om identiteit. In plaats daarvan richtten zij zich op design als functionaliteit en/of technologie, waardoor ze zich bevrijd voelen. Van kwestie naar materie. Een nieuwe mode d’emploi doet opgeld. In hun geval resulteert dat in de ontwikkeling van (betaalde) online naaicursussen, een nieuwe verbinding met de behoeften van de plaatselijke gemeenschap, experimenteren met alternatieve productiemethoden (zoals mondkapjes), voldoening door het gevoel dat hun werk ertoe doet, de tijd nemen om de financiële structuur van hun praktijk opnieuw vorm te geven, of nadruk te leggen op het aspect van storytelling in een ontwerp. Afgezien van alle ellende en verlies laat deze global glitch al met al zien welke mogelijke alternatieve manieren er zijn om onze wereldsystemen in te richten.

Saskia van Stein, DDA-jurylid en commissievoorzitter in de categorie ‘Young Designer’

*citaat overgenomen uit een interview met Nadine Botha voor Design Academy Eindhoven.