06.09.2019

Geen dag gaat voorbij of we worden geconfronteerd met beelden van een falend systeem. Op ecologisch-, humanitair- en economisch vlak zien we de uitkomst van diverse soorten scheefgroei. De wereld om ons heen is altijd het podium en het decor van ons handelen geweest, maar zijn wij, de acteurs op dit wereldtoneel, de scène ontgroeid? Wij lijken onze verbondenheid met het evolutionaire niet meer te (willen) ervaren.

Een disbalans is ontstaan ten gevolgen van ons vooruitgangsgedachte: een samenleving waarbij collectieve overtuigingen en kaders plaats hebben gemaakt voor individuele behoeften en ontwikkeling. De goeie bedoelingen van toen, vormen voor een deel de problemen van nu.

Loopt het systeem op zijn einde om plaats te maken voor een ander? Dit systeem van gecentraliseerde ‘witte’ macht staat, bracht een hoger welzijnsniveau voor velen, de ‘haves’ wel te verstaan maar ten kosten van anderen. Met man en macht proberen sommigen de status quo van de geijkte paden in stand te houden. Zelfbehoud is mens eigen en verandering -in de vorm van het en de ander- boezemt over het algemeen genomen angst in. Soms is de wil er wel om te veranderen maar weten niet hoe: bijvoorbeeld sommige bedrijven lopen uit de tijd met hun product, productie- of verdienmodel.

Wie door de oogharen naar de ruim 70 inzendingen van de categorie ‘jeugd’ (ofwel Young designers) van Dutch Design Awards kijkt, wordt hoopvol. Een diverse pluimage van rijpe en groene ontwerpers die aller handen onderwerpen met materiele of immateriële ontwerpen te lijf gaan. Ze doen recht aan de fundamentele kracht van het ontwerpveld: het vermogen om binnen een gegeven problematiek of situatie zodanig te opereren dat onvoorziene potenties zich aandienen. Maar ze doen meer dan dat. Met een open vizier en een honger naar verandering, introduceert deze generatie een nuancering en verbreding van de discipline. Deze ontwerpers creëren hun eigen voorwaarden, esthetiek en kwaliteiten, ze staan open voor de wereld om hen heen en gaan deze te lijf te gaan met een integere, speelse, onderzoekend, krachtige en inclusieve inherente interdisciplinariteit ontwerphouding. Alles is materiaal en de tools zijn omnipresent.

Waar in het verleden woorden als innovatie, creatieve industrie, design thinking synoniemen waren voor het vertrouwen in het oplossend vermogen van een discipline, manifesteert het potentieel van deze ontwerpers zich pas echt als de discipline betrokken is en fundamenteel is ingebed in het (her)ontwerpen van onze systemen, van het decoderen van onze taal, in de manier waarop we beleid maken en onze samenleving inrichten. Deze generatie spiegelt onze tijd en herkent en definieert opgaven waar sommigen van ons ze nog niet zien of zelfs herkennen. Alsof ze voelsprieten of antennes hebben voor de tijd die komen gaat. Natuurlijk staan ze op de schouders van anderen, immers deze jonge ontwerpers werden gevoed door het kunst en design onderwijs en de vakken die er worden gegeven. Afdelingen als The Master of Voice, workshops als ‘emphatic listening’, vakken als Material Agency, Gender studies en het immateriële maar invoelbare van de performance, nu zo aanwezig is in het culturele landschap, hebben hun weerslag.

Terwijl de ‘sector’ maatschappelijker wordt lijkt deze generatie zich los te maken van retoriek en de lading van een neoliberale ideologie. Een goed ontwerp verenigd diverse soorten waarden en een goed ontwerper is zich ook bewust van de keerzijde van het ontwerp. De belangen en daarmee de verantwoordelijkheden zijn groot nu er zoveel vertrouwen in de ontwerpgemeenschap wordt gesteld. Het welzijn van iedereen en niet enkelen staat immers op het spel.

1

Als een ware moderne Jeanne D’Arc, treed milieuactiviste Greta Thunberg het wereld toneel tegemoet. Ze spreekt ons direct aan, roept ons tot de orde, roept op tot actie. Maar vanuit welk weten handelt ze? Welke geheugen maakt zich in haar overtuigingen manifest? Laten we even stil staan bij de verantwoordelijkheid die we projecteren op deze generatie. In het veld wordt druk gediscussieerd over mediagenieke projecten als The Ocean Clean Up, in 2012 geïnitieerd door studenten lucht- en ruimtevaarttechniek, Boyan Slat. Het al dan niet slagen van het project zou de rol van de ontwerper en het ‘gecrowdfunde’ bedrag van 33 miljoen US dollar moeten legitimeren. De waarde van het project wordt niet afgemeten aan de bijdrage die het levert in de vorm van bewust zijn, van hoop, van alle beetjes helpen, nee, falen is geen optie. Wij ‘outsourcen’ onze eigen verantwoordelijkheid (en daarmee onze eigen schuld (of schuldgevoel) door een financiële bijdrage te leveren aan de moed van de ander. We verwachten er een oplossing voor terug. Maar waarom rust er zoveel verantwoordelijkheid op de schouders van deze generatie? Of überhaupt bij de ontwerper?

Hoe staat dat in verhouding tot de genomen verantwoordelijkheid van de creatieve bankiers van Lehmans verantwoordelijk voor de 2008 crisis? En zijn het ook niet ontwerpers die spullen nu drijvend in de ‘plastic soup’ ontwierpen?

De oceanen en zeeën nemen in totaal 72% van het oppervlak van de aarde in (~3.6 x 108 km2). Met deze $33 miljoen moet dus XXXXXXXXXX plastic worden opgeruimd, dat is € 0, XXXXXXXXXXXXXX1 per kubieke liter water in onze oceaan. Is dat een realistische verwachting? Zouden we niet kritisch maar ook genereus moeten staan tegenover de generatie die komen gaat?

 

Een dergelijk lot leek ook Massoud Hassani’s project Mine Kafon Ball beschoren. Nadat hij Afghanistan ontvluchtte naar Nederland studeerde hij in 2011 af aan Design Academy Eindhoven. Het project kreeg veel media aandacht, een kickstarter financieringscampagne volgde en de Mine Kafon (“kafon” betekent explosie in Dari) werd opgenomen in het archief van het Metropolitan Museum of Arts (MOMA) in New York. Het gesprek ontspon zich rond de vraag naar verantwoordelijkheid van de ontwerper toen bleek dat zijn wind aangedreven mijnenveger van materialen zoals bamboe en plastic, het niet, of slechts, eenmalig deed. De focus op de functionele waarde ondermijnde de cultuur of maatschappelijke waarde van het project. Op dit moment werken Massoud en zijn broer Mahmud in een oude MOSA fabriek in Maastricht aan een drone variant, een voor het vinden van de mijnen een ander voor het detoneren. De eerste prototypes zijn ontwikkelt en worden afgenomen, ze hebben tien mensen in dienst. De moed en het doorzettingsvermogen van deze ontwerpers dwingen respect af.

De afnemers van deze drones blijken echter geen NGO’s of op humanitaire gronden gestoelde acties voor de leefbaarheid van de mensen woonachtig in deze woestijnen. De mijnen worden met name opgeruimd om de grondstoffen die nog in de woestijn verborgen liggen te delven. Win-win zou je kunnen denken maar dat de ‘incentive’ voor handelen wederom economisch gemotiveerd is maakt mismoedig.

2
3

De handelingsgerichte aanpak voor maatschappelijke vraagstukken is nu geïntroduceerd. Nu is het aan ons, en wel aan ons allemaal om een aanpak die het niveau van een eenmalig project van ‘een gedreven gekje’ overstijgt. Kritische massa is nodig om werkelijke impact te hebben, kennis te delen, op te schalen of te verspreiden. De wereld gaat wel door, nu wij nog.

Tegen de wegwerpcultuur en onbenut afval, tegen de maatschappelijke vertrutting en preutsheid, tegen een eendimensionaal mode/zelfbeeld.

Hoop doet leven.

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst…

God zij dank, hebben we deze generatie jonge ontwerpers.

Saskia van Stein, DDA-jurylid en commissievoorzitter in de categorie ‘Young Designer’

4
5